Het project ging in 2022 van start met een duidelijke ambitie: een integrale aanpak ontwikkelen om de bodemkwaliteit in de bollenteelt te verbeteren. Dat is geen luxe, maar noodzaak. Veel bollentelers werken met huurland en zijn daarmee afhankelijk van hoe de bodem door andere gebruikers wordt beheerd. Prisca Kleijn, directeur van Stichting Bloembollenonderzoek: “Een teler kan nog zo zijn best doen om gezonde bollen te telen, maar als ze in vervuilde grond worden geplant, ontstaat alsnog een probleem.”
Bodem als gezamenlijke verantwoordelijkheid
In het project PPS-project werd intensief samengewerkt tussen sectoren bollenteelt en akkerbouw. Aaltjes, een van de belangrijkste uitdagingen voor bodemgezondheid, houden zich immers niet aan sectorgrenzen. Onder andere werd gewerkt aan kennisontwikkeling en praktische hulpmiddelen voor integraal bodembeheer, met speciale aandacht voor het beheersen van aaltjes. Tijdens de eindmeeting werden onderzoeksresultaten gedeeld en concrete handvatten gepresenteerd die telers direct kunnen toepassen.
Die integrale benadering is extra belangrijk nu het gebruik van gewasbeschermingsmiddelen steeds verder wordt beperkt. Dat kwam naar voren uit een keynote van Bernd Feenstra, senior strateeg duurzaamheid en innovatie bij de KAVB. Feenstra stelt vast dat de sector al grote stappen heeft gezet. Zo is de verkoop van werkzame stoffen in de bollenteelt in tien jaar met 77% gedaald, meer dan het Europese gemiddelde. Bovendien is inmiddels ongeveer de helft van de gebruikte middelen van biologische herkomst.
Toch blijft er werk te doen, bijvoorbeeld op het gebied van emissie. Door bij het spuiten grotere druppels te gebruiken – via grotere spuitdoppen – kan verspreiding van middelen verder worden beperkt. Tegelijkertijd benadrukte Feenstra dat het voor de sector belangrijk is om ook het positieve verhaal te blijven vertellen. Bollengrond staat vaak bekend om zijn biodiversiteit en er zijn stappen gezet in energiebesparing en verduurzaming. Dat zijn aspecten die volgens hem meer aandacht verdienen.
Het gesprek aan de keukentafel
Veel aandacht ging tijdens de bijeenkomst uit naar de samenwerking tussen huurders en verhuurders van landbouwgrond. Hoewel beide partijen in theorie veel baat hebben bij een langetermijnstrategie voor de bodem, is de praktijk vaak lastig. Uit een analyse binnen het project bleek dat problemen vaak ontstaan door gebrekkige communicatie. Huurder en verhuurder hebben lang niet altijd persoonlijk contact en afspraken worden regelmatig mondeling gemaakt. Daardoor ontbreekt het aan duidelijkheid over bijvoorbeeld teeltgeschiedenis, bodemproblemen of het gebruik van groenbemesters.
Om dit gesprek te ondersteunen is vanuit het project Bollen@Bodem&Aaltjes een praktische ‘Checklist voor samenwerken bloembollen op huurland‘ ontwikkeld met aandachtspunten voor het maken van afspraken over grondgebruik. Die checklist helpt huurders en verhuurders om onderwerpen te bespreken die normaal gesproken misschien onderbelicht blijven. Voor sommige telers voelt dat gesprek in eerste instantie wat ongemakkelijk of zelfs betuttelend, maar duidelijke afspraken maken het wel mogelijk om gerichter aan de bodem te werken.
Download de checklist onder dit artikel.
Data delen als sleutel
Naast communicatie en het maken van duidelijke afspraken, speelt ook het delen van data een belangrijke rol in beter bodembeheer. Informatie over uiteenlopende zaken als bodemaaltjes, schimmels, onkruiddruk, bodemstructuur, waterhuishouding en teelthistorie kan veel inzicht geven in de staat van een perceel. Toch blijkt dat het delen van dergelijke gegevens in de praktijk niet altijd vanzelfsprekend is. Tijdens de bijeenkomst werd duidelijk dat er soms een drempel bestaat om gevoelige data te delen.
Een instrument dat hierbij kan helpen is het zogenoemde bodemkwaliteitsplan. Zo’n plan beschrijft onder meer de teeltrotatie, maatregelen voor bodemverbetering en afspraken over gewaskeuze en groenbemesters. De eerste ervaringen met deze aanpak zijn positief. Het dwingt partijen om verder vooruit te kijken dan het volgende seizoen en maakt het eenvoudiger om investeringen in bodemkwaliteit te verantwoorden. Tegelijk blijft er twijfel over het opslaan van alle gegevens in een centrale databank. Een van de aanwezigen gaf aan het delen van informatie wel te zien zitten, maar alleen in een directe één-op-één relatie tussen huurder en verhuurder en met duidelijke afspraken over het gebruik van de informatie.
“Een huurder is bereid meer te betalen voor grond als de verhuurder ook investeert in de kwaliteit”
In een land met een relatief klein landbouwareaal is het niet verstandig om grond onvoldoende te beheren. Dat betekent ook dat bollentelers moeten investeren in grond die niet hun eigendom is. Op korte termijn kan dat extra kosten met zich meebrengen, maar op de langere termijn leidt een betere bodemkwaliteit vrijwel altijd tot hogere opbrengsten en minder problemen met ziekten en plagen. Ook voor de verhuurder biedt dit kansen: een huurder is bereid meer te betalen voor grond als de verhuurder ook investeert in de kwaliteit ervan. Het loont dus voor beide partijen om samen te werken aan een gezonde bodem.
Aaltjes onder de loep
Na de lunch verschoof de focus van de bijeenkomst van bodembeheer naar preventie en bestrijding van bodemaaltjes. Onderzoekers presenteerden onder meer resultaten van studies naar inundatie, het tijdelijk onder water zetten van percelen om bodempathogenen te bestrijden. Voor verschillende soorten aaltjes blijkt deze methode effectief te zijn. Een punt van aandacht is wel dat inundatie niet selectief werkt. Niet alleen schadelijke aaltjes verdwijnen, maar ook andere organismen in de bodem. Onderzoek van Wageningen University & Research laat echter zien dat het bodemleven zich op microbiologisch niveau relatief snel herstelt na inundatie. Op langere termijn lijken er geen negatieve effecten te ontstaan.

Een andere onderzoekslijn richtte zich op een aaltje dat de afgelopen tien jaar sterk in opkomst is: Paratrichodorus anemones, vaak afgekort tot P. anemones. Dit aaltje vormt niet alleen een probleem in lelie, maar ook in rotatiegewassen zoals ui en tulp. Waar vroeger gewasbeschermingsmiddelen konden worden ingezet, verschuift de aanpak steeds meer naar geïntegreerd nematodenmanagement. Daarbij spelen zaken als vruchtvolgorde, groenbemesters en nutriëntenbeheer een belangrijke rol.
Bij de keuze van groenbemesters en voorvruchten is het essentieel om goed te kijken naar de waardplantstatus voor aaltjes. In de database Best4Soil is terug te vinden welke gewassen gunstig of juist ongunstig zijn in combinatie met verschillende aaltjessoorten.
Voor P. anemones ligt hier nog wel een flinke uitdaging, zo bleek uit de presentatie van onderzoek dat WUR heeft uitgevoerd op een proefveld in Ens (NO-polder). Voorafgaand aan de teelt van lelie lijken peen en maïs relatief gunstige voorvruchten te zijn, omdat zij de druk van het aaltje het minst verhogen. Minder geschikt zijn onder andere suikerbiet, Japanse haver en zomergerst, die de populatie juist kunnen laten toenemen. Dat betekent dat de keuze aan geschikte gewassen in de rotatie nog vrij beperkt is.
De sector heeft behoefte aan meer gewassen en groenbemesters die een slechte waardplant zijn voor dit aaltje. Het zoeken naar zulke opties blijft een belangrijk aandachtspunt voor toekomstig onderzoek.
Volgende stappen
In de afsluitende interactieve sessie keken deelnemers vooruit naar de volgende stappen voor de sector. De discussie maakte duidelijk dat verdere kennisontwikkeling over trichodoriden nodig blijft om de schade van deze groep aaltjes zoveel mogelijk te beperken en te voorkomen dat ‘stengelaal de nieuwe galmijt’ wordt. Tegelijk was er brede consensus dat de belangrijkste sleutel tot succes niet alleen in onderzoek ligt, maar ook in de samenwerking. Door beter met elkaar te communiceren, data te delen en afspraken vast te leggen, kunnen telers en grondeigenaren samen werken aan een gezonde, weerbare bodem.
